Logo:Wad Werk
Over kaden en door klaslokalen


Jaap de Jong

Sinds mijn vroege jeugd mag ik graag ergens naartoe varen. In eerste instantie met een roeibootje over het Slotermeer. Daarna onder  zeil van de Lemster aak met mijn ouders over het IJsselmeer en de Waddenzee.  De lege ruimte van de Waddenzee met het droogvallen op de zandplaten vond ik een bijzondere ervaring.  We gingen toen ook wel bot vissen in de Slenk, dat nog een ondiep geultje onder Terschelling was. Pas veel later - toen het Schuitengat aan het verzanden was - werd dit geultje uitgebaggerd en groeide het uit tot de nieuwe vaarweg naar Terschelling.
Na mijn havotijd voer ik vanuit Harlingen met vissersschepen het zeegat uit tussen Terschelling en Vlieland. Met de kotters gingen we dan boven de eilanden naar het noordwesten door het Thomas Smitgat. Toen ik jaren later op zgn. Denemarkenvaarders (coasters met beperkt vaargebied ) voer, was het Thomas Smitgat te ondiep geworden. Daarom voeren we door het Noordgat, dat iets oostelijker dan het Thomas Smit gat lag en vlak boven het strand van Terschelling langs liep. We schrijven 70-er jaren vorige eeuw. Op de terugweg  vanuit de Oostzee werd te Harlingen ingeklaard. Daar moesten we dan soms ook enige uren wachten op hoog water  zodat we over ‘De Boontjes` konden varen (De Boontjes is een ondiepe geul tussen Harlingen en Kornwerderzand). Al deze verschuiving van routes door de dynamiek van het waddensysteem vond ik intrigerend.
Op de scheidslijn van zee en land heb ik me altijd thuis gevoeld. Maar begin deze eeuw kwam ik erachter dat mijn hoofd nog niet vol zat en dat ik graag nog een studiereis zou willen maken waarbij ik meer over de achtergronden van de zee en de kust zou leren. Toen ik door de enthousiaste Van Hall ronselaar eerste klas David Goldsborough geïnformeerd  werd over de opleiding Kust- en Zeemanagement scheepte ik gelijk in. Het ging allemaal vrij gemakkelijk. Toen ik van een zeereis terug kwam liep ik door een deur een klaslokaal in en zag allemaal nieuwsgierige ogen. Misschien dacht men wel dat ik een verdwaalde leraar was.  Ik stelde me voor als leerling, ging zitten en probeerde te volgen hoe het allemaal werkte op een hogeschool. 
Inmiddels zit ik in het derde jaar en tot nu toe is het aardig gelukt om naast mijn werk – ik vaar als freelance kapitein –  te slagen voor alle modules. Deel uit maken van een klas was een vernieuwende ervaring. Mijn systeem kreeg een goede revisiebeurt en oude gegevens werden ge-updated.  Ik trof het gelukkig met de klas: een variëteit aan jongelui waar optimisme hoogtij vierde. Ongemerkt ben ik door hen meegenomen. In het begin had ik vooral met wiskunde en het computergebruik moeite. Hierin heb ik bijlessen genomen door een advertentie in de supermarkt te hangen waarop een oud-leraar reageerde.
In de opleiding kwamen verschillende lijntjes bij elkaar waar ik in de praktijk al mee te maken heb gehad. Ik had  vijf jaar op de visserij gewerkt: met garnalenkotters op de Waddenzee en op de Noordzee tong en schol. Daarna met trawlers om Engeland heen op haring en makreel. Tussen toen en nu heeft een ware omslag in het denken over gemeenschappelijk gebruik van natuurlijke bronnen plaats gevonden. Ik werkte op de zeevisserij op provisiebasis; dus hoe meer vis, hoe beter. Nu besef ik dat daar ook een schaduw zijde aan zat. De omslag van de vrije zee van Hugo de Groot tot de gereglementeerde  zee onder de UNCLOS neemt tijd in beslag.
Op de zeereizen zag ik ook de Jan-van-genten die van grote hoogte in zee plonsden om vis te vangen. De interesse in deze zeevogels heb ik, met de kennis die ik opgedaan heb op school verwerkt in een Friestalig boekje: “Hoe ’t ginten en boebies elkoar ûntdûke” (Te verkrijgen op het Van Hall instituut en in een paar Friese boekwinkels).  
 In het tweede studiejaar begon het stagegedeelte. Van uit mijn positie was het moeilijk om een aaneengesloten stage van een halfjaar in het buitenland te doen. Ik had wel via internet de hele wereld afgestruind om bij een kortlopend project aan te kunnen sluiten. Gelukkig is de wereld rond en als je maar door blijft gaan dan kom je bijna vanzelf op dezelfde plek uit. Zo kwam ik terecht bij  Romke Bijker.  Romke heeft een internationaal opererend eenmansbedrijf: ACRB, met als thuisbasis  Lemmer waarbij laptop en mobiele telefoon de belangrijkste inventaris is. Indien nodig kan hij aanvullende kennis en expertise mobiliseren uit een uitgebreid netwerk van contacten.  Het toeval wou dat hij bezig was met een voorstudie over de geul door De Boontjes. Ik viel dus met mijn neus in de boter vooral omdat de Boontjesgeul zo’n  bijzondere geul is, als lek tussen de twee kombergingsgebieden van Marsdiep en Vliestroom.  Soms had ik tijdens de stage het gevoel in een detectiveverhaal terecht gekomen te zijn waarbij ik niet de oorzaak van een moord  moest oplossen maar de aanslibbing van een geul blootleggen. Het resultaat van de studie die Romke Bijker verrichte vond ik verbluffend: door de drempel in De Boontjes geul weg te halen gaat de stroomsnelheid in de geul niet omlaag maar blijft hetzelfde. Doordat de deur als het ware op een kier wordt gezet zal de stroomsnelheid juist  iets toenemen, zodat de geul zichzelf op diepte houdt.
Ik zit nu in het derde jaar van de opleiding en ben bezig met een afstudeerproject. Het heeft betrekking op gebiedsvreemde organismen die geloosd worden met  ballastwater van zeeschepen, waardoor ontwrichting van bestaande ecosystemen teweeg gebracht wordt. Een Nederlands bedrijf is bezig met het ontwikkelen van een alternatief Ballast Water Management Systeem waarmee het probleem voorkomen kan worden. Dat systeem moet gecertificeerd worden aan de hand van eisen die opgesteld zijn door de milieu afdeling van de IMO (International Maritime Organization). Dit alternatieve systeem valt een beetje tussen wal en schip. Mijn afstudeer opdracht richt zich daarom op de knelpunten tussen dit ballast water behandelingssysteem en de keuringseisen van de IMO. Het project sluit goed aan bij mijn praktijkbeleving en het geeft inzicht hoe regelgeving tot stand komt. Ook hier geldt: hoe dichter je bij de praktische uitvoering komt van een internationaal  verdrag, hoe moeilijker het wordt om een alles omvattende regelgeving te creëren.
Ik ben aan deze studie Kust en Zee Management begonnen onder het motto: ‘je weet nooit hoe een koe een haas vangt’. Of ik die haas zal vangen is de vraag. In ieder geval heeft de jacht op die haas mij een gefronst voorhoofd maar ook veel plezier  en inzicht gegeven.

Jaap de Jong

20-Mei-2008