Klimaatverandering

Actuele publicaties over het onderwerp vindt u in het hoofdstuk 'Publicaties klimaatverandering'.

Klimaatverandering en zeespiegelstijging

De sluizen bij Lauwersoog tijdens storm (K. van Bruggen)
De sluizen bij Lauwersoog tijdens storm (K. van Bruggen)

Sinds het begin van de vorige eeuw is de zeespiegel met ongeveer 15 centimeter gestegen. Dit wordt voor een deel veroorzaakt door het lopend proces van de normale stijging van de temperatuur op aarde, waardoor het zeewater uitzet. In Noord-Nederland stijgt de zeespiegel nog iets sneller door het kantelen van de aardschol waar Nederland op ligt. Ten gevolge van het versterkte broeikaseffect door de menselijke productie van verschillende gassen kan in de komende eeuw de zeespiegel wereldwijd gaan stijgen met maximaal ongeveer een halve meter. De mate van zeespiegelstijging is sterk afhankelijk van de temperatuurstijging en de uitwerking daarvan op de zeespiegelstand. Vooralsnog is een versnelling van zeespiegelstijging niet aangetoond voor Nederland.
Het stijgen van de zeespiegel is al meer dan honderd eeuwen aan de gang. In de laatste IJstijd, tot zo'n 10.000 jaar geleden, stond het grootste deel van de Noordzee droog. Door het warmer-wordende klimaat ontdooide het landijs en stijgt de zeespiegel. Alleen in de periode tussen 1430-1820 (de Kleine IJstijd) kan het zeeniveau iets gedaald zijn. Sinds ongeveer 1850 neemt de gemiddelde temperatuur opnieuw toe en is het zeeniveau langs de Nederlandse kust zo'n 20 tot 30 cm hoger komen te liggen.

Uit metingen over de afgelopen 150 jaar blijkt in de Waddenzee een gemiddelde stijging van 17-18 cm per eeuw. Door de verhoging van het kooldioxidegehalte en andere 'broeikasgassen' in de atmosfeer kan de gemiddelde temperatuur op aarde verder gaan stijgen. De meeste wetenschappers verwachten dat de zeespiegel de komende eeuw met 60 cm gaat stijgen, maar in de meest ongunstige scenario's wordt rekening gehouden met 85 tot 105 cm per eeuw. Door een hogere temperatuur zal in ieder geval het water in de zeeën en de oceanen extra gaan uitzetten. Ook zullen, afhankelijk van eventuele lokale klimaatveranderingen, ook nieuwe delen van de poolkappen en gletsjers in de hoge berggebieden gaan smelten. Deze twee processen kunnen leiden tot een aanzienlijke stijging van het zeeniveau. Op 30 mei 2006 heeft het KNMI de nieuwste scenario's voor de periode tot 2050 gepresenteerd (www.knmi.nl).

Effecten van de klimaatverandering in Nederland

De belangrijkste algemene effecten van de klimaatveranderingen in Nederland zijn hieronder kort weergegeven
(Bron: 'KNMI' 06 scenario's brochure')

Energieverbruik voor verwarming
Bij een temperatuurstijging in Nederland zal de behoefte aan verwarming voor woningen, fabrieken en kantoren afnemen. De energiebehoefte voor verwarming vertoont een duidelijk verband met het aantal graaddagen (de som van de afwijkingen ten opzichte van 17°C voor alle dagen waarop de gemiddelde temperatuur lager is dan 17°C; bijvoorbeeld een dagtemperatuur van 14°C draagt 3 bij, een dagtemperatuur van - 3°C draagt 20 bij). Afhankelijk van het klimaatscenario daalt het aantal graaddagen in 2050 met 9% (G+ scenario) tot 20% (W+ scenario) ten opzichte van 1990.

Energieopbrengst windturbines
De afname van de windsnelheid in Nederland, zoals gemeten in de afgelopen decennia, heeft consequenties voor de energieopbrengst van windturbines. De maximale hoeveelheid energie die de turbines kunnen leveren is afgenomen. De scenario’s geven geen aanleiding om in de toekomst blijvend lagere windenergieopbrengsten te verwachten. Bij de scenario’s met meer westenwind (G+ en W+ scenario's) is op den duur eerder sprake van een (kleine) toename. Maar de natuurlijke jaar-op-jaar variaties en schommelingen op langere termijn zijn voor deze toepassing van veel groter belang dan de kleine veranderingen in de scenario's.

Landbouwproductie
Stijging van de temperatuur en CO2-concentratie in de lucht heeft in Nederland een gunstig effect op de landbouwproductie, onder andere van grasland. In de G+ en W+ scenario’s wordt dit gunstige effect echter weer (deels) teniet gedaan door de grotere kans op een tekort aan water in de zomer. Vooral op de hoger gelegen zandgronden kan dit leiden tot lagere productie. Dezelfde scenario's hebben ook extra natte winters, waardoor vooral in het voorjaar in laag Nederland het grasland drassiger kan zijn, wat maaien of beweiden bemoeilijkt.

Afvoer Rijn en Maas
Toename van de winterneerslag, niet alleen in Nederland maar ook elders in de stroomgebieden van Maas en Rijn, zal resulteren in een toename van de piekafvoer van rivieren, het meest in het W+ scenario. Bovendien zal in berggebieden meer neerslag vallen in de vorm van regen in plaats van sneeuw. Hierdoor neemt de Rijnafvoer in de winter toe. In de zomer neemt in het W+ scenario de gemiddelde neerslag juist fors af. Tegelijkertijd neemt de verdamping toe (zolang er voldoende vocht aanwezig blijft). In de stroomgebieden van Rijn en Maas betekent dit een lagere rivierafvoer, en vaker een lage waterstand die de scheepvaart kan hinderen. Lagere rivierafvoeren gecombineerd met hogere temperaturen hebben ook een negatieve invloed op de waterkwaliteit en de beschikbare hoeveelheid koelwater. In combinatie met zeespiegelstijging veroorzaken lagere rivierafvoeren het verder binnendringen van zout water vanuit zee.

Ontwaken natuur
Door de hogere temperaturen in de winter en in het voorjaar start het groeiseizoen van veel planten vroeger, een tendens die we in de afgelopen jaren al hebben gezien (zie www.natuurkalender.nl). Een temperatuur van 5°C wordt vaak gebruikt als grens waarboven planten beginnen te groeien. Het dagnummer in het jaar waarop de gemiddelde temperatuur 5°C bereikt en daar niet meer onder komt tot na 1 juli is een benadering van de start van het groeiseizoen. Volgens deze definitie start het groeiseizoen bij de vier klimaatscenario’s in 2050 gemiddeld tussen de 6 dagen (G en G+ scenario) en 19 dagen (W+ scenario) eerder dan in 1990 het geval was 

Luchtkwaliteit
Weersomstandigheden zoals windrichting en zonneschijn bepalen in belangrijke mate de luchtkwaliteit door hun invloed op de aanvoer en vorming van verontreinigende stoffen. Zo vallen periodes met zomersmog (hoge ozonconcentraties) vaak samen met hittegolven (veel zonneschijn). Bij een toename van het aantal tropische dagen (maximum temperatuur = 30°C) in Nederland zal vooral in het W+ scenario bij gelijkblijvende emissies de kans op zomersmog groter worden. In de winter neemt de kans op wintersmog af in de G+ en W+ scenario’s, doordat vaker relatief schone lucht wordt aangevoerd uit westelijke richting.

Elfstedentochten
De kans op perioden met strenge vorst zal bij een temperatuurstijging in de toekomst kleiner worden. Daardoor neemt in alle vier klimaatscenario's de kans op een elfstedentocht af. In het klimaatscenario met de sterkste temperatuurstijging en verandering van de luchtstromingspatronen (W+ scenario) is de kans op een elfstedentocht rond 2050 het kleinst. Die kans neemt meer af dan op grond van alleen de gemiddelde opwarming zou worden verwacht, omdat in dit scenario de koudste dagen in de winter meer opwarmen dan het gemiddelde.

Externe links naar sites over klimaatverandering

Onderzoeksprogramma Kennis voor klimaat

www.opgewarmdnederland.nl; met o.a. een filmpje van Alterra Wageningen over de  gevolgen van zeespiegelstijging op Ameland

Infopagina Waddenvereniging: Klimaatverandering en de wadden

RIVM - Thema klimaatverandering

Klimaatportaal PCCC (Platform Communication on Climate Change)

KNMI - Onderzoek

IPCC Intergovernmental Panel on Climate Change

Espace - internationaal samenwerkingsverband dat zich met name richt op de samenhang tussen klimaatverandering en ruimtelijke ordening

 

Wilt u zelf iets doen aan de oorzaken van klimaatverandering: kijk op www.hier.nu

Bron: KNMI
Datum: oktober 2008