Hier vindt u publicaties over onderzoeken monitoring aan bodemdieren in het waddengebied.
Maart 2010- Dankzij financiƫle steun van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en het NWO zee- en kustonderzoek (ZKO), is het NIOZ in 2008 begonnen met een voorgenomen langjarige synoptische macrozoobenthos bemonstering van alle litorale gebieden in de Waddenzee, genaamd SIBES (Synoptic Intertidal Benthic Sampling) Gedurende deze campagne zijn 3963 punten bemonsterd, waarin in totaal meer dan 160 duizend individuen zijn waargenomen en geteld. Deze individuen behoorden tot 76 soorten. Uitgedrukt in biomassa (berekend door middel van asvrij drooggewicht (AFDM), waren de belangrijkste soorten de kokkel, zandkokerworm, strandgaper, gewone zeepier, Amerikaanse zwaardschede, mossel, veelkleurige zeeduizendpoot, Japanse oester en nonnetje. Voor elke soort is de ruimtelijke verspreiding in kaart gebracht. Ook kan op grond van deze gegevens de soortenrijkdom voor het hele litorale gebied van de Waddenzee berekend worden. Dit laat zien dat met name de
hooggelegen gebieden (zoals de zone langs te Nederlandse kust en de waddeneilanden), maar ook het gebied ten oosten van Griend, het rijkst zijn.
Download het volledige rapport "Benthic macro fauna in relation to natural gas extraction in the Dutch Wadden Sea" (pdf 3,35 Mb).
Bron: NIOZ, maart 2010
Sinds 2004 wordt de Japanse oester in de standaard bemonsteringen naar andere schelpdieren met zodanige regelmaat worden aangetroffen dat het mogelijk is een gestandaardiseerde database op te zetten. Hiermee kunnen in de toekomst ook kwantitatieve conclusies getrokken worden over biomassa en populatieontwikkeling.
Enkele mosselbanken zijn voor een groot deel overgenomen door oesters. Er zijn ook banken waarvan alleen de rand dicht bij de geul een dichte oesterbedekking heeft en de rest van de bank nagenoeg geheel uit mosselen bestaat. Ook zijn er veel mosselbanken waar geen of zeer weinig oesters op voorkomen of waar tussen de oesters een zeer goede mosselbroedval heeft plaatsgevonden.
Sinds 2004 wordt de Japanse oester in de standaard bemonsteringen naar andere schelpdieren met zodanige regelmaat worden aangetroffen dat het mogelijk is een gestandaardiseerde database op te zetten. Hiermee kunnen in de toekomst ook kwantitatieve conclusies getrokken worden over biomassa en populatieontwikkeling.
Enkele mosselbanken zijn voor een groot deel overgenomen door oesters. Er zijn ook banken waarvan alleen de rand dicht bij de geul een dichte oesterbedekking heeft en de rest van de bank nagenoeg geheel uit mosselen bestaat. Ook zijn er veel mosselbanken waar geen of zeer weinig oesters op voorkomen of waar tussen de oesters een zeer goede mosselbroedval heeft plaatsgevonden.
Download het rapport: "Verspreiding en uitbreiding van de Japanse oester in de Nederlandse Waddenzee" (pdf 249 kB).
Bron: Alterra, 2004
Sinds 2002 wordt de ontwikkeling van enkele individuele oesterbanken in de Nederlandse Waddenzee gevolgd. In de rapportage "De ontwikkeling van de Japanse Oester in de Nederlandse Waddenzee: situatie 2006" wordt een beschrijving gegeven van de ontwikkeling van deze individuele oesterbanken tot 2006. Op alle gevolgde locaties zijn op den duur oesterriffen ontstaan met verschillende jaarklassen. Het lijkt erop dat de dichtheden en oppervlakten op sommige locaties niet verder toenemen. Om inzicht te krijgen in groei en afname in dichtheden en oppervlakte van individuele oesterriffen is het van belang de ontwikkelingen van individuele oesterriffen te blijven volgen. Aangezien oesters een voorkeur lijken te hebben om zich op andere oesters te vestigen, is de verwachting dat er zich op meer plekken oesterriffen zullen ontwikkelen.
Dowload het rapport "De ontwikkeling van de Japanse Oester in de Nederlandse Waddenzee: situatie 2006"(pdf 765 kB)